Uitspraak
verblijvende te [verblijfplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 januari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak verzocht de officier van justitie om een machtiging tot voortzetting van het verblijf van betrokkene, die lijdt aan een mengvorm van vasculaire dementie en depressie met psychotische kenmerken, in een verpleeginrichting. De geneeskundige verklaringen waren opgesteld door een specialist ouderengeneeskunde, zonder dat een psychiater was betrokken.
De rechtbank Noord-Holland verleende de machtiging op basis van deze verklaringen, waarbij werd vastgesteld dat betrokkene niet wilsbekwaam is en gevaar voor zichzelf veroorzaakt. Betrokkene stelde cassatie in en voerde aan dat het onderzoek ook door een psychiater had moeten worden verricht vanwege de combinatie van psychogeriatrische en psychiatrische stoornissen.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van art. 1 lid 6 Wet Pro Bopz (oud) een psychiater betrokken moet zijn bij het onderzoek indien de stoornis niet uitsluitend psychogeriatrisch is, maar ook psychiatrische problematiek omvat. Omdat dit niet was gebeurd, vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de machtiging tot voortgezet verblijf omdat het onderzoek niet door een psychiater is verricht en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.