Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam heeft een conclusie van dupliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende was in 2015 medegerechtigd tot het erfpachtrecht van een onroerende zaak in Amsterdam. De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam stuurde de WOZ-beschikking voor 2015 aan de mede-erfpachtrechthebbende, maar weigerde de beschikking aan belanghebbende zelf te verstrekken ondanks diens verzoek op grond van artikel 28 Wet Pro WOZ.
Na procedures in bezwaar, beroep en hoger beroep bleef belanghebbende verstoken van de gevraagde beschikking. Het Gerechtshof Amsterdam wees het hoger beroep af. Belanghebbende stelde daarop cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2020:596) met vergelijkbare problematiek en oordeelt dat de weigering van de heffingsambtenaar onterecht was. De eerdere uitspraken van Hof, Rechtbank en heffingsambtenaar worden vernietigd. De heffingsambtenaar wordt opgedragen aan belanghebbende alsnog een voor bezwaar vatbare beschikking te verstrekken.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad het college van burgemeester en wethouders en de heffingsambtenaar tot betaling van proceskosten en griffierechten aan belanghebbende, waarbij rekening is gehouden met samenhangende zaken volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de eerdere uitspraken en draagt de heffingsambtenaar op om aan belanghebbende een WOZ-beschikking te verstrekken.