Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
7 april 2020.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in een zedenzaak. De klachten van de verdachte betroffen onder meer het bewijsminimum, met verwijzing naar het unis testis-criterium en artikel 342 lid 2 Sv Pro, alsmede de vermeende denaturering van zijn verklaring en de strafmotivering door het hof.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat zij niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de gronden van dit oordeel nader te motiveren, omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal was om het beroep te verwerpen, hetgeen de Hoge Raad heeft gevolgd. Hiermee blijft het arrest van het hof ongewijzigd in stand en is het cassatieberoep van de verdachte verworpen.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren van den Brink en van Strien, uitgesproken in openbare terechtzitting op 7 april 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is verworpen, waardoor het hofarrest in stand blijft.