ECLI:NL:HR:2020:582

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 april 2020
Publicatiedatum
2 april 2020
Zaaknummer
19/00818
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 lid 1 SuccessiewetArt. 12 lid 2 SuccessiewetArt. 7 lid 2 SuccessiewetArt. 27 Successiewet
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering erfbelasting door verrekening schenkbelasting bij schenking binnen 180 dagen voor overlijden

De zaak betreft de verrekening van schenkbelasting met erfbelasting bij een schenking die binnen 180 dagen voor het overlijden van de schenker is gedaan. De moeder van belanghebbende overleed op 20 april 2016. In 2015 had zij tweemaal een schenking gedaan aan belanghebbende, waarvan één schenking van € 80.000 op 23 december 2015 binnen 180 dagen voor haar overlijden viel.

De vraag was tot welk bedrag de betaalde schenkbelasting van € 7.972 in mindering mocht worden gebracht op de erfbelasting. Het Hof had dit bedrag berekend op € 7.503, gebaseerd op een verhouding tussen de schenking en de som van schenkingen in dat kalenderjaar.

In cassatie stelde belanghebbende dat de vermindering op basis van de verhouding tussen de schenking en de totale verkrijging krachtens erfrecht moest worden berekend, wat een lager bedrag opleverde. De Hoge Raad oordeelde dat het middel van belanghebbende gegrond was en vernietigde het arrest van het Hof. De uitspraak van de Rechtbank, die de zaak anders had beoordeeld, werd bevestigd.

Daarnaast wees de Hoge Raad het incidentele cassatieberoep van belanghebbende af, waaronder het verzoek tot een kostenvergoeding. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest werd uitgesproken op 3 april 2020.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank over de juiste berekening van de verrekening van schenkbelasting met erfbelasting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/00818
Datum3 april 2020
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 januari 2019, nr. 18/00028, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/1594) betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de erfbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebrach.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 18 december 2019 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het principale beroep in cassatie en tot ongegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:1357).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
De moeder van belanghebbende (hierna: de moeder) is op 20 april 2016 overleden. De moeder heeft in 2015 tweemaal een bedrag aan belanghebbende geschonken: € 5.000 op 31 maart 2015 en € 80.000 op 23 december 2015. Ter zake van die schenkingen heeft belanghebbende € 7.972 schenkbelasting betaald.
2.2
Omdat de schenking van 23 december 2015 was gedaan binnen 180 dagen voor het overlijden van de moeder, is het bedrag van € 80.000 geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen. [1] De verkrijging van belanghebbende krachtens erfrecht was (inclusief die € 80.000) € 105.358. De daarover berekende erfbelasting bedraagt € 8.521.
2.3
Bij het Hof was in geschil tot welk bedrag de over de schenking van € 80.000 betaalde schenkbelasting in mindering komt op de erfbelasting [2] . Het Hof heeft dat bedrag berekend op (80.000/85.000 x € 7.972 =) € 7.503.
3. Beoordeling van de in het principale en het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middelen
3.1
Het in het principale beroep in cassatie voorgestelde middel betoogt dat de vermindering van erfbelasting moet worden berekend op (80.000/105.358 x € 8.521 =) € 6.470.
3.2
Het eerste in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel bepleit dat het gehele bedrag van € 7.972 dat aan schenkbelasting is betaald, in mindering komt op de erfbelasting.
3.3
Het tweede in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel betoogt dat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat het Hof haar hoger beroep gegrond heeft verklaard.
3.4
Het in het principale beroep in cassatie voorgestelde middel slaagt en de in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 19/00817 (ECLI:NL:HR:2020:476) waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
3.5
Gelet hierop kan de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het principale beroep in cassatie gegrond,
- verklaart het incidentele beroep in cassatie ongegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2020.

Voetnoten

1.Artikel 12, lid 1, Successiewet.
2.Artikel 12, lid 2, en artikel 7, lid 2, Successiewet.