Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
21 april 2020.
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene had het cassatieberoep ingesteld, maar heeft geen cassatiemiddelen ingediend binnen de wettelijke termijn. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad toetste de ontvankelijkheid van het beroep en stelde vast dat de betrokkene niet had voldaan aan de verplichting om tijdig schriftelijke klachten in te dienen, zoals voorgeschreven in artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kon de Hoge Raad het beroep niet inhoudelijk behandelen.
Op 21 april 2020 heeft de Hoge Raad het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak werd gedaan door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, samen met raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.