ECLI:NL:PHR:2020:399

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2020
Publicatiedatum
20 april 2020
Zaaknummer
18/04342
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in zaak profijtontneming

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft betrokkene bij uitspraak van 6 juni 2018 verplicht tot betaling van €469.577 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze zaak hangt samen met meerdere andere zaken met vergelijkbare nummers.

Betrokkene heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging van het cassatieberoep is op 31 januari 2019 betekend. De raadsman van betrokkene is tijdig geïnformeerd over deze aanzegging. De termijn van twee maanden voor het indienen van schriftelijke middelen van cassatie verliep op 1 april 2019.

Er zijn echter geen middelen van cassatie binnen deze termijn ingediend. Op grond van artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering, kan betrokkene daarom niet in het cassatieberoep worden ontvangen. De conclusie van de procureur-generaal is dan ook dat de Hoge Raad betrokkene niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van schriftelijke middelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/04342 P
Zitting21 januari 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt
In de zaak
[betrokkene] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de betrokkene.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 6 juni 2018 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 469.577,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De zaak hangt samen met de zaken met nummers 18/03558, 18/04339, 18/04341, 18/04344, 18/04345, 18/04967, 18/04968, 18/04971, 18/04972 en 18/04974. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Tegen de uitspraak is namens de betrokkene beroep in cassatie ingesteld.
De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv Pro is op 31 januari 2019 betekend. Mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, heeft zich in cassatie als raadsman van de betrokkene gesteld en is tijdig, bij brief van 6 februari 2019, van de aanzegging aan zijn cliënt in kennis gesteld. De in het tweede lid van art. 437 Sv Pro gestelde termijn van twee maanden verstreek op 1 april 2019. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan zij ingevolge art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv niet in haar cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de betrokkene niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG