ECLI:NL:HR:2020:514
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
Belanghebbende, VOF [X], stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat een uitspraak van de Rechtbank Gelderland bevestigde over door belanghebbende betaalde belasting op personenauto’s en motorrijwielen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuist had geoordeeld over de redelijke termijn van berechting, met verwijzing naar eerdere arresten van de Hoge Raad. Hierdoor kon het hof zijn uitspraak niet in stand houden.
De Hoge Raad verhoogde de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep tot €7.000 en in hoger beroep tot €1.500, waarmee het totaal op €8.500 komt. Tevens werden proceskosten verdeeld en vergoedingen voor griffierechten en rechtsbijstand vastgesteld.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, waarbij het cassatieberoep gegrond werd verklaard en het arrest van het hof werd vernietigd voor zover het de immateriële schadevergoeding betreft.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot in totaal €8.500 en veroordeelt de Staatssecretaris en de Staat in de proceskosten.