ECLI:NL:HR:2020:466
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een door hem betaalde belasting op personenauto’s en motorrijwielen. Het hof had een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de redelijke termijn niet correct had toegepast, met name inzake de verknochtheid van zaken. Op grond van recente jurisprudentie werd de vergoeding voor immateriële schade verhoogd tot € 2.500 voor de bezwaar- en beroepsfase en tot € 1.000 voor de beroepsfase.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de immateriële schadevergoeding betreft en stelde de nieuwe bedragen vast. Tevens werden proceskosten toegewezen aan belanghebbende, waarbij de Staatssecretaris van Financiën en de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) gezamenlijk werden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
De uitspraak benadrukt het belang van een correcte toepassing van de redelijke termijn en de vergoeding van immateriële schade bij overschrijding daarvan in bestuursrechtelijke belastingzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de Staatssecretaris en de Staat in de proceskosten.