ECLI:NL:HR:2020:375

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2020
Publicatiedatum
29 februari 2020
Zaaknummer
17/00924
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69.2 AWR
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bewijs van opzettelijke BTW-fraude bij schijnverkopen prepaid kaarten

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het feitelijk leidinggeven aan schijnverkopen van prepaid telefoonkaarten, waarbij de omzetbelasting onjuist werd opgegeven door te doen alsof de verkoop aan een buitenlands bedrijf plaatsvond, terwijl de afnemers in Nederland gevestigd waren. De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting in de periode juli 2003 tot en met april 2004.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de verdachte behandeld. Het cassatiemiddel richtte zich tegen de bewezenverklaring van het hof, met name tegen het oordeel dat de rechtspersoon te lage bedragen aan belasting had opgegeven. De Hoge Raad verwijst naar een samenhangende zaak (ECLI:NL:HR:2020:374) waarin de gronden voor vernietiging nader zijn toegelicht.

De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet kan blijven staan en dat de overige middelen geen bespreking behoeven. Omwille van doelmatigheid doet de Hoge Raad de zaak zelf af en spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde. Hiermee wordt bevestigd dat onvoldoende bewijs bestaat voor het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting.

Uitkomst: De Hoge Raad spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde wegens onvoldoende bewijs van opzet bij BTW-fraude.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer17/00924
Datum17 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 8 februari 2017, nummer 21/002036-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.J. Wattel heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1
Het middel komt op tegen de bewezenverklaring.
2.2
Voor zover het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat [medeverdachte] in de periode juli 2003 tot en met april 2004 in haar aangiften voor de omzetbelasting telkens te lage bedragen aan belasting heeft opgegeven, slaagt het. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 17/00929 (ECLI:NL:HR:2020:374).

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de uitspraak van het hof niet in stand kan blijven en dat de overige cassatiemiddelen geen bespreking behoeven. Nu een nieuwe behandeling na ver- of terugwijzing niet tot een andere einduitspraak zou kunnen voeren dan hierna vermeld, zal de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof behoudens voor zover daarbij het vonnis van de rechtbank is vernietigd;
- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 maart 2020.