Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2020:334

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2020
Publicatiedatum
26 februari 2020
Zaaknummer
19/00610
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over vergoeding wettelijke rente griffierecht bij belastingzaak

Belanghebbende, een B.V., had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake de belasting op personenauto's en motorrijwielen. De kern van het geschil betrof de vergoeding van wettelijke rente over het griffierecht dat belanghebbende had betaald voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg en hoger beroep.

De Rechtbank had geen beslissing genomen over de vergoeding van wettelijke rente op het griffierecht, ondanks het verzoek van belanghebbende. Het Hof verwierp het beroep van belanghebbende op vergoeding van rente over het betaalde griffierecht. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof de uitspraak van de Rechtbank had moeten vernietigen en de beslissing had moeten aanvullen met een toekenning van wettelijke rente vanaf vier weken na de uitspraak van de Rechtbank.

De overige klachten van belanghebbende werden door de Hoge Raad verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad vernietigt de uitspraken van Hof en Rechtbank voor zover deze geen beslissing bevatten over de rentevergoeding en bepaalt dat wettelijke rente verschuldigd is indien het griffierecht niet tijdig is vergoed.

Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan belanghebbende. Hiermee wordt bevestigd dat bij vertraging in terugbetaling van griffierechten wettelijke rente verschuldigd is conform eerdere arresten van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraken van Hof en Rechtbank en bepaalt dat wettelijke rente over griffierecht moet worden vergoed vanaf vier weken na de uitspraak van de Rechtbank.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/00610
Datum28 februari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 januari 2019, nr. BK-18/00756, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/6630) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
Het Hof heeft verworpen het betoog dat belanghebbende een vergoeding van rente toekomt over het bedrag dat door belanghebbende voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg aan griffierecht is betaald en dat de Inspecteur aan belanghebbende dient te vergoeden. Hiertegen richt zich middel IV.
2.2
In het door het Hof verworpen betoog van belanghebbende ligt besloten de klacht dat de Rechtbank niet een beslissing heeft gegeven op het verzoek om vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro wegens vertraging in de vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht.
Belanghebbende heeft in haar beroepschrift de Rechtbank verzocht om vergoeding van - onder meer - die rente. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, had het Hof daarom de uitspraak van de Rechtbank in zoverre moeten vernietigen en, doende wat de Rechtbank had moeten doen, in zijn uitspraak de beslissing moeten opnemen dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van die rente vanaf vier weken na de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan (vgl. rechtsoverweging 2.4.2 van het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623). Middel IV slaagt in zoverre.
2.3
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten van middel IV en die van de overige middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen, kunnen de uitspraken van het Hof en van de Rechtbank niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De beslissing van de Rechtbank dient te worden aangevuld in de hiervoor in 2.2 bedoelde zin.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover daarin ontbreekt een beslissing omtrent de wettelijke rente over de vergoeding door de Inspecteur van het door belanghebbende voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht,
- beslist dat, indien het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop de Rechtbank haar uitspraak heeft gedaan,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 519, dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 508,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.100 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.