ECLI:NL:HR:2020:328

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2020
Publicatiedatum
25 februari 2020
Zaaknummer
19/01613
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16, lid 3, AWRArt. 67e AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over navorderingsaanslag na uitstelverzoek na indiening aangifte

De zaak betreft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2010 opgelegd aan belanghebbende. De aangifte was ingediend op 25 maart 2011, terwijl op 27 april 2011 door de belastingadviseur van belanghebbende uitstel werd gevraagd voor het indienen van aangiften, waaronder die van belanghebbende, conform de Beconregeling. De Inspecteur verleende uitstel tot 1 mei 2012.

Het Hof Amsterdam oordeelde dat de navorderingsaanslag die in april 2016 werd opgelegd buiten de aanslagtermijn viel, omdat het uitstel geen verlenging van de aanslagtermijn gaf wanneer de aangifte al was ingediend op het moment van het uitstelverzoek. Daarom vernietigde het Hof de navorderingsaanslag, boetebeschikking en beschikking inzake heffingsrente.

De Hoge Raad stelde in cassatie vast dat het uitstel ook een verlenging van de aanslagtermijn inhoudt, ook als de aangifte al was ingediend toen het uitstel werd gevraagd. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling, met inachtneming van dit arrest.

De Hoge Raad volgde in zijn oordeel de argumenten uit een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2020:254). Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en vier raadsheren op 28 februari 2020.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/01613
Datum28 februari 2020
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 februari 2019, nr. 18/00583, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 17/5504) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2010 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 21 november 2019 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:1207).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
De aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) van belanghebbende voor het jaar 2010 is ingediend op 25 maart 2011. De aangifte is ingediend door de belastingadviseur van belanghebbende. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 is vastgesteld op 29 maart 2012 conform de aangifte. Met dagtekening 14 april 2016 is aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2010 opgelegd. Bij de navorderingsaanslag is een vergrijpboete opgelegd.
2.1.2
De belastingadviseur heeft op 27 april 2011 verzocht om uitstel voor indiening van de aangiften IB/PVV voor een aantal belastingplichtigen, onder wie belanghebbende, met toepassing van de zogenoemde Beconregeling. De Inspecteur heeft conform het verzoek uitstel verleend tot 1 mei 2012.
2.2.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de navorderingsaanslag over het jaar 2010 is opgelegd binnen de aanslagtermijn van artikel 16, lid 3, AWR.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de termijn om na te vorderen over het jaar 2010 niet was verlengd door het verleende uitstel voor indiening van de aangifte IB/PVV voor dat jaar omdat die aangifte al was ingediend op het tijdstip dat dat uitstel werd gevraagd. Het Hof heeft daaruit geconcludeerd dat ten tijde van het opleggen van de navorderingsaanslag de daarvoor geldende termijn was overschreden en dat de Rechtbank terecht de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking inzake heffingsrente heeft vernietigd.
2.3.1
Het middel betoogt dat een door de inspecteur verleend uitstel ook een uitstel in de zin van artikel 16, lid 3, AWR is indien op het moment van het verlenen van het uitstel de aangifte al is ingediend.
2.3.2
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 19/01242 (ECLI:NL:HR:2020:254) waarvan een geanonimiseerde kopie aan dit arrest is gehecht.
2.3.3
Verwijzing moet volgen voor beoordeling van de juistheid van de navorderingsaanslag en van de boete.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad
- verklaart het beroep gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.