Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot mensenhandel. De verdachte zou samen met haar partner een vrouw in Venezuela hebben laten benaderen en naar Curaçao hebben laten komen om daar in hun bar/restaurant prostitutiewerkzaamheden te verrichten.
Het cassatieberoep richtte zich op verschillende klachten over de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofvonnis. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarmee werd het cassatieberoep verworpen en bleef het vonnis van het hof in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president van Schendel als voorzitter, met raadsheren Buruma en Boerlage, op 11 februari 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen poging tot mensenhandel.