ECLI:NL:HR:2020:2040
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J. Koopman
- J.A.C.A. Overgaauw
- M.A. Fierstra
- J. Wortel
- P.A.G.M. Cools
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel over kenbaarheid navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2007
In deze zaak stond de vraag centraal of belanghebbende redelijkerwijs kenbaar was dat de eerste navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2007 te laag was vastgesteld. Na een eerdere vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad werd het geschil opnieuw behandeld door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
De Hoge Raad oordeelde dat het verzuim van de Belastingdienst om het boekenonderzoek in het computersysteem te vermelden, een fout in de ruime zin van artikel 16, lid 2, aanhef en onderdeel c, AWR is. Het hof had geoordeeld dat het voor belanghebbende niet redelijkerwijs kenbaar was dat de aanslag te laag was vastgesteld.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel van de Staatssecretaris dat dit oordeel zou moeten worden vernietigd. Het oordeel van het hof was niet onbegrijpelijk, onvoldoende gemotiveerd of onjuist in rechtsopvatting. Het voorwaardelijke incidentele beroep van belanghebbende verviel daardoor. De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het hof bevestigd.