Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
15 december 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld waarbij een politieagent om het leven kwam, en medeplegen van voorbereiding van diefstal met geweld. In cassatie werd onder meer geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden, waardoor de redelijke termijn werd overschreden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 16 jaar met 7 maanden, tot een straf van 15 jaar en 5 maanden. De overige klachten van de verdachte werden verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en de beslissing werd ter openbare terechtzitting uitgesproken op 15 december 2020.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 15 jaar en 5 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.