ECLI:NL:HR:2020:1947

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2020
Publicatiedatum
3 december 2020
Zaaknummer
19/05003
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.17 Wet IB 2001
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof inzake persoonsgebonden aftrek na correctie partner

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2015 waarin een bedrag van €4.320 aan persoonsgebonden aftrek niet werd toegelaten. Dit bedrag betrof het aan belanghebbende toegerekende deel van de persoonsgebonden aftrek van zijn echtgenoot na een correctie bij die partner over het voorgaande jaar.

Het Hof Den Haag oordeelde dat deze persoonsgebonden aftrek in 2015 niet in aftrek kon worden genomen, omdat de echtgenoot per 31 december 2014 geen nog in aanmerking te nemen persoonsgebonden aftrek meer had. Dit oordeel was gebaseerd op een eerdere uitspraak van hetzelfde Hof in een gerelateerde zaak.

De Hoge Raad vernietigt deze uitspraak omdat de eerdere uitspraak van het Hof in de gerelateerde zaak door de Hoge Raad zelf is vernietigd en verwezen naar een ander gerechtshof. Hierdoor ontbreekt de grondslag voor het oordeel van het Hof Den Haag. De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.

De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep en moet belanghebbende het griffierecht vergoeden. De kosten van het geding voor het Hof, de Rechtbank en de bezwaarprocedure worden door het verwijzingshof beoordeeld.

Uitkomst: Het arrest van het Hof Den Haag wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/05003
Datum18 december 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 18 september 2019, nr. BK-18/01095, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 18/4042) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2015 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur bij belanghebbende terecht bij het vaststellen van het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2015 een bedrag van € 4.320 aan persoonsgebonden aftrek niet in aftrek heeft toegelaten. Dit bedrag betrof het aan belanghebbende toegerekende gedeelte van de op 31 december 2014 nog niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek van de echtgenoot van belanghebbende (hierna: de echtgenoot).
2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat het bedrag van € 4.320 aan persoonsgebonden aftrek in het jaar 2015 niet voor aftrek in aanmerking komt. Het heeft daartoe overwogen dat het bij zijn uitspraak van 18 september 2019 in de zaak met nummer BK-18/01096 heeft geoordeeld dat de Inspecteur bij de echtgenoot terecht een inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen en dat de door de echtgenoot nog in aanmerking te nemen persoonsgebonden aftrek per 31 december 2014 terecht is vastgesteld op nihil. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat er dus geen mogelijkheid is om in 2015 nog een deel van de persoonsgebonden aftrek te verrekenen met het inkomen van belanghebbende.
2.3
De klachten, die opkomen tegen de hiervoor in 2.2 bedoelde oordelen van het Hof, slagen. Bij arrest van vandaag, ECLI:NL:HR:2020:1948, heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Hof van 18 september 2019 in de zaak met nummer BK-18/01096 vernietigd en die zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing. Daarmee is aan de oordelen van het Hof de grond komen te ontvallen.
2.4
Op grond van hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 19/05004 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof, van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 1.050, derhalve € 525, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020.