ECLI:NL:HR:2020:1932
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
Belanghebbende was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën en de Staat over een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Na een uitspraak van de Rechtbank Gelderland en hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, werd door belanghebbende cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde onder meer de vraag of het oordeel van het Hof over de redelijke termijn van berechting juist was, met betrekking tot de verknochtheid van zaken. Op grond van eerdere arresten stelde de Hoge Raad vast dat het Hof onjuist had geoordeeld en verklaarde het cassatieberoep gegrond.
De Hoge Raad vernietigde het deel van het arrest dat betrekking had op de hoogte van de vergoeding van immateriële schade en stelde deze vergoeding vast op in totaal €3.500. Daarnaast werden proceskosten verdeeld waarbij zowel de Staatssecretaris als de Staat werden veroordeeld tot betaling van kosten en griffierechten aan belanghebbende.
Het arrest werd uitgesproken door de Hoge Raad op 4 december 2020, waarbij tevens werd bepaald dat wettelijke rente gaat lopen indien de vergoeding niet tijdig wordt voldaan.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot €3.500 en veroordeelt de Staatssecretaris en de Staat in proceskosten.