ECLI:NL:HR:2020:1913

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 2020
Publicatiedatum
30 november 2020
Zaaknummer
20/01802
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 98 SvArt. 552a Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake doorbreking verschoningsrecht bij 112-melding minderjarige verdachte

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een klaagschrift op grond van artikel 98 Sv Pro in verbinding met artikel 552a Sv. De klager, een verpleegkundig centralist in opleiding bij de ambulancedienst, beriep zich op het verschoningsrecht met betrekking tot een bandopname van een 112-melding door een minderjarige verdachte in een verdenking van moord/doodslag op een 15-jarig meisje.

De rechtbank oordeelde dat er zeer uitzonderlijke omstandigheden waren die de doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigden. De vraag was of het ontbreken van toestemming van het slachtoffer aan de verstrekking van de bandopname in de weg stond, terwijl de ouders van het slachtoffer toestemming hadden gegeven voor kennisneming.

De Hoge Raad heeft het beroep van de klager beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering te geven omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep is derhalve verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/01802 Bv
Datum15 december 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West‑Brabant van 7 mei 2020, nummer RK 20-000129, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 in Pro verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft D.J.G. Timmermans, advocaat te Leiden, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de belanghebbende [betrokkene 1] heeft M. Houweling, advocaat te Roosendaal, daarop schriftelijk gereageerd.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de klager heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 december 2020.