ECLI:NL:HR:2020:1884
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J. Koopman
- M.E. van Hilten
- E.N. Punt
- L.F. van Kalmthout
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid herziening omzetbelasting bij ingebruikneming onroerende zaken
In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse regeling, waarbij bij de ingebruikneming van een onroerende zaak de herziening van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte omzetbelasting in één keer plaatsvindt, in overeenstemming is met de Europese BTW-richtlijn 2006.
De Hoge Raad verwees eerder prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op 17 september 2020 oordeelde dat de nationale regeling niet in strijd is met de artikelen 184 tot en met 187 van de BTW-richtlijn, ook wanneer het investeringsgoederen betreft. Het Hof bevestigde dat een herziening over meerdere jaren kan worden gespreid, maar dat het in één keer herzien van het totaalbedrag in het jaar van ingebruikneming toegestaan is indien de oorspronkelijk toegepaste aftrek afwijkt van de werkelijke aftrek op basis van het gebruik.
Na ontvangst van dit arrest heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van Stichting Schoonzicht tegen de Staatssecretaris van Financiën behandeld. De Hoge Raad oordeelde dat artikel 15, lid 4, tweede volzin, van de Wet op de omzetbelasting 1968, waarin deze herzieningsregeling is opgenomen, niet in strijd is met de BTW-richtlijn. Het middel van Stichting Schoonzicht faalt en het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
De Hoge Raad zag geen aanleiding tot het opleggen van proceskostenveroordelingen en sprak het arrest uit op 27 november 2020.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de nationale herzieningsregeling is niet in strijd met de BTW-richtlijn.