Uitspraak
Stichting [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 11 januari 2017, nr. 16/00255, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 15/187) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 2014 tot en met 30 september 2014. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.Procesverloop
4.De herzieningsbepalingen van BTW-richtlijn 2006
5.De Nederlandse herzieningsregeling voor investeringsgoederen
6.Beoordeling van het middel
.Die belastingplichtige moet de oorspronkelijk niet in aftrek gebrachte btw dan in ‘porties’ (in Nederland een tiende deel per jaar) alsnog in aftrek brengen. Dit betekent dat deze belastingplichtige niet onmiddellijk volledig wordt ontlast van de btw die hij bij het afnemen van goederen en diensten met het oog op het verrichten van zijn belaste prestaties heeft betaald, hoewel het investeringsgoed voor belaste doeleinden wordt gebruikt.
,tweede volzin
,van de Wet (ook) btw betaalt die ziet op het nog niet vast te stellen – toekomstige - gebruik van het investeringsgoed in volgende (herzienings)jaren.
.