ECLI:NL:HR:2020:1823

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 november 2020
Publicatiedatum
17 november 2020
Zaaknummer
20/01979
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36a AwbKoninklijk besluit van 6 maart 2019, Stb. 99
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-digitaal indienen

Belanghebbenden hebben beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland. Het beroep werd ingediend via een brief en niet via het verplichte digitale webportaal van de Hoge Raad, terwijl de uitspraak waarop het beroep betrekking had na 15 april 2020 was bekendgemaakt. De Hoge Raad stelde vast dat volgens artikel 1 van Pro het Koninklijk besluit van 6 maart 2019 beroepsmatig optredende rechtsbijstandverleners verplicht zijn digitaal te procederen in bestuursrechtelijke cassatieprocedures.

De griffier van de Hoge Raad verzocht belanghebbenden het beroep alsnog digitaal in te dienen binnen zes weken. Het via het webportaal ingediende bericht kwam echter te laat binnen en werd buiten beschouwing gelaten. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:36a, lid 5, Awb.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools op 20 november 2020.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van de digitale indieningsplicht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/01979
Datum20 november 2020
ARREST
op het door [X1] en [X2] te [Z] (hierna: belanghebbenden) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 30 april 2020, nrs. HAA 20/2 tot en met HAA 20/8 V op het verzet tegen een uitspraak van de Rechtbank van 5 maart 2020.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van Rechtbank Noord-Holland heeft een bij die Rechtbank op 22 juni 2020 ingekomen brief met bijlagen ter verdere behandeling doorgezonden aan de Hoge Raad, alwaar de brief vervolgens is aangemerkt als beroep in cassatie.
Blijkens deze brief is het beroep in cassatie namens belanghebbenden ingediend door [A] te [Q] als beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener.
Artikel 1 van Pro het Koninklijk besluit van 6 maart 2019, Stb. 99 (Inwerkingtredingsbesluit digitaal procederen in bestuursrechtelijke cassatieprocedures) brengt mee dat een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener verplicht is digitaal te procederen in die gevallen waarin het beroep in cassatie is gericht tegen een uitspraak die op of na 15 april 2020 is bekendgemaakt. Dat is in deze zaak het geval zodat het beroep in cassatie via het webportaal van de Hoge Raad had moeten worden ingediend.
De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroepschrift bij aangetekende brief van 3 juli 2020 verzocht binnen zes weken het beroepschrift in cassatie via het webportaal van de Hoge Raad in te dienen. Het op 15 augustus 2020 via het webportaal van de Hoge Raad ingekomen bericht wordt als te laat ingekomen buiten beschouwing gelaten.
Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van het bepaalde in artikel 8:36a, lid 5, Awb het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2020.