Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
10 november 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het feitelijk leiding geven aan het medeplegen van het doen van opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting, valsheid in geschrift en het in valse vorm beschikbaar stellen van boeken en bescheiden om te weinig belasting te laten heffen.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 september 2019. Zijn advocaten dienden een schriftuur in met cassatiemiddelen. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie was het niet nodig om de motivering van het oordeel te geven.
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen en het arrest van het hof bevestigd. Dit arrest is op 10 november 2020 uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte voor medeplegen van opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting en valsheid in geschrift.