ECLI:NL:HR:2020:1720

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 november 2020
Publicatiedatum
2 november 2020
Zaaknummer
19/02968
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 Wetboek van StrafvorderingArt. 511h Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in zaak profijtontneming

In deze zaak ging het om een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juni 2019 betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene had het cassatieberoep ingesteld, maar heeft geen cassatiemiddelen ingediend.

De advocaat-generaal concludeerde dat de betrokkene niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat niet was voldaan aan de wettelijke verplichting om binnen de gestelde termijn schriftelijk klachten bij de Hoge Raad in te dienen. Dit volgt uit artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering.

De Hoge Raad heeft daarop het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het arrest uitgesproken op 3 november 2020. De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02968 P
Datum3 november 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juni 2019, nummer 21/002610-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar cassatieberoep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de betrokkene een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de betrokkene niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 november 2020.