Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2020:149

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2020
Publicatiedatum
29 januari 2020
Zaaknummer
18/02322
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt redelijke termijn en weigert hogere schadevergoeding bij naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting. Het geschil betrof de beoordeling van de redelijke termijn waarbinnen de belastingprocedure moest worden afgerond en de toekenning van een vergoeding voor overschrijding daarvan.

Het middel richtte zich onder meer tegen het oordeel van het hof dat sprake was van verknochtheid van zaken, waardoor de redelijke termijn met zes maanden kon worden verlengd. De Hoge Raad bevestigde dat deze verlenging terecht was en dat zonder deze verlenging geen hogere vergoeding dan €1.500 zou zijn toegekend.

De overige klachten en middelen werden eveneens verworpen zonder nadere motivering, aangezien zij niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De Hoge Raad wees ook een veroordeling in proceskosten af en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de redelijke termijnverlenging blijft gehandhaafd zonder hogere schadevergoeding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer18/02322
Datum31 januari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 april 2018, nr. 16/01133, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 13/6589) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
Middel III richt zich onder meer tegen het oordeel van het Hof dat zich voor de bepaling van de redelijke termijn van berechting een verknochtheid van zaken voordoet als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Het middel wordt in zoverre terecht voorgesteld. Dit volgt uit hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in rechtsoverweging 2.3 van zijn arrest van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623. Tot cassatie kan dit echter niet leiden. Uit de uitspraak van het Hof blijkt dat de door het Hof aangenomen verknochtheid voor het Hof aanleiding was de redelijke termijn in de fase van bezwaar en beroep te verlengen met zes maanden. Indien deze verlenging buiten beschouwing wordt gelaten, leidt dat niet tot een hogere vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn dan het bedrag van € 1.500 dat door de Rechtbank is toegekend en door het Hof in stand is gelaten.
2.2
De overige klachten van middel III en de overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten en middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2020.