ECLI:NL:HR:2020:1472

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2020
Publicatiedatum
22 september 2020
Zaaknummer
19/04898
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake belastingaanslagen en boetebeschikkingen

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2019, waarin het hof het hoger beroep van de Inspecteur tegen eerdere uitspraken van de Rechtbank Noord-Nederland behandelde. De zaak betrof aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2001 tot en met 2006, alsmede de daarbij gegeven boetebeschikkingen.

De Hoge Raad beoordeelde de ingediende klachten van belanghebbende, maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de klachten inhoudelijk te motiveren, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Verder wees de Hoge Raad het verzoek van belanghebbende af om een veroordeling van de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 25 september 2020.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/04898
Datum25 september 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2019, nrs. 18/00851 tot en met 18/00861, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 16/973 tot en met LEE 16/983), betreffende de aan belanghebbende bij de voor de jaren 2001 tot en met 2006 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gegeven boetebeschikkingen en een door belanghebbende gedaan verzoek om een veroordeling in de proceskosten.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Nu deze conclusie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2020.