Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Ambtshalve beoordeling van de beschikking van de rechtbank
3.Beslissing
15 september 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een klaagschrift ingediend op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, waarin klager verzocht om teruggave van een personenauto die op 11 april 2019 onder zijn zus in beslag was genomen. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het klaagschrift op 26 juni 2019 ongegrond.
Later bleek uit inlichtingen dat de auto bij vonnis van 17 januari 2020 in de strafzaak tegen de zus van klager onherroepelijk verbeurd was verklaard. Omdat tegen dit vonnis geen hoger beroep was ingesteld, was het vonnis definitief geworden.
De Hoge Raad stelt dat wanneer een gerecht dat bevoegd is tot behandeling van een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv vaststelt dat het voorwerp inmiddels onherroepelijk verbeurd is verklaard, het klaagschrift moet worden opgevat als een klaagschrift op grond van artikel 552b Sv. Indien het gerecht niet bevoegd is om het klaagschrift als zodanig te behandelen, moet het de stukken doorzenden naar het gerecht dat wel bevoegd is.
In deze zaak is het vonnis met verbeurdverklaring pas onherroepelijk geworden in de cassatiefase van de beklagzaak, maar ook dan geldt dat het klaagschrift moet worden opgevat als een klaagschrift op grond van artikel 552b Sv. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak naar het bevoegde gerecht voor verdere behandeling en afdoening.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak door naar het bevoegde gerecht voor verdere behandeling.