Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
,aldus het Hof.
Hoge Raad
Belanghebbende, een B.V., kreeg op 13 december 2016 een naheffingsaanslag loonheffingen over 2011 betekend, samen met een dwangbevel waarin kosten van €11.599 werden opgelegd. Belanghebbende stelde dat zij niet in de gelegenheid was geweest om de aanslag te betalen op het moment van betekening, waardoor zij niet in gebreke kon zijn.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat belanghebbende uiterlijk om 13:30 uur op die dag kennis had genomen van de aanslag en nog bijna twee dagen had om te betalen, zodat de kosten terecht in rekening konden worden gebracht. De vermelding van kosten op het dwangbevel vooraf was volgens het hof toegestaan ter naleving van artikel 4:122 Awb Pro.
In cassatie betoogde belanghebbende dat zij niet in gebreke was omdat zij niet direct kon betalen bij betekening. De Hoge Raad verwierp dit middel, verwijzend naar een recent arrest (ECLI:NL:HR:2020:1200) en stelde dat het hof terecht had geoordeeld dat belanghebbende voldoende tijd had om te betalen voordat de kosten definitief werden opgelegd.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep ongegrond. Hiermee is bevestigd dat de invordering van kosten bij een dwangbevel na betekening van een naheffingsaanslag rechtmatig kan plaatsvinden, ook als de belastingplichtige direct bij betekening niet kan betalen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de kosten van het dwangbevel terecht zijn opgelegd.