Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
7 juli 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam. Ondanks het instellen van het beroep zijn door de advocaat van de verdachte geen cassatiemiddelen ingediend binnen de daarvoor gestelde termijn. De advocaat-generaal heeft daarom geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld of het beroep ontvankelijk was. Op grond van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering is vereist dat binnen de wettelijke termijn een schriftuur met cassatiemiddelen wordt ingediend. Deze verplichting is niet nagekomen, waardoor het beroep niet in behandeling kan worden genomen.
De Hoge Raad heeft daarom het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het gerechtshof Amsterdam gehandhaafd. Deze beslissing is genomen door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 7 juli 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen.