Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
30 juni 2020.
Hoge Raad
De aanvrager is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van meervoudige oplichting en medeplegen van inbreuk op auteursrecht. Hij vroeg herziening van dit arrest op grond van een vrijspraak van zijn medeverdachte in een gerelateerde zaak.
De Hoge Raad beoordeelde of deze vrijspraak een nieuw feit of gegeven vormde dat, indien bekend geweest, tot vrijspraak van de aanvrager had kunnen leiden. Volgens artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro kan herziening alleen plaatsvinden bij een met stukken onderbouwd nieuw gegeven dat het onderzoek zou hebben beïnvloed.
De Hoge Raad concludeerde dat de enkele vrijspraak van de medeverdachte niet automatisch een dergelijk nieuw gegeven is. In deze zaak ontbraken omstandigheden die dat zouden ondersteunen. Daarom is het herzieningsverzoek kennelijk ongegrond en werd het afgewezen.
Deze uitspraak bevestigt de restrictieve toepassing van de herzieningsregeling en benadrukt dat vrijspraak van een medeverdachte niet zonder meer leidt tot herziening van een veroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens gebrek aan nieuw gegeven dat tot vrijspraak zou leiden.