De zaak betreft een geschil tussen de bank en advocaat [eiser 1] en de Stichting derdengelden over de betaling van een bedrag van €363.000,-- dat via de derdengeldrekening van de Stichting liep, waardoor het pandrecht van de bank op de vordering van [G] tenietging.
De bank had een pandrecht op de handelsvorderingen van [G] en eiste betaling van het bedrag dat door een derde partij, [K], aan [G] was betaald. De advocaat adviseerde betaling op de derdengeldrekening van zijn kantoor, waarna het bedrag werd doorbetaald naar de faillissementsrekening van [G]. De bank stelde dat hierdoor haar pandrecht werd gefrustreerd en vorderde betaling van de advocaat en de Stichting.
De rechtbank wees de vordering af, maar het hof veroordeelde de advocaat en Stichting hoofdelijk. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het de Stichting betrof en bevestigde dat de advocaat onrechtmatig handelde door het bedrag niet direct aan de bank beschikbaar te stellen na opzegging van het krediet.
De Hoge Raad oordeelde dat de Stichting geen onderzoeksplicht had om te beoordelen of de gelden op haar rekening daadwerkelijk derdengelden waren, tenzij er bijzondere omstandigheden waren die twijfel rechtvaardigden. Omdat zulke omstandigheden ontbraken, werd de Stichting niet aansprakelijk gehouden. De bank kon haar vordering jegens de Stichting niet verhalen op het saldo van de derdengeldrekening, aangezien dat toebehoort aan de rechthebbenden.
De Hoge Raad bekrachtigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de Stichting betrof en wees de vordering van de bank tegen de Stichting af, terwijl het beroep van de advocaat werd verworpen.