Uitspraak
1.De uitspraak van het hof
2.Het cassatieberoep
3.Het arrest van het hof
4.Wettelijk kader
5.Beoordeling van het cassatiemiddel
6.Beslissing
16 juni 2020.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om een betrokkene die een boete kreeg opgelegd wegens parkeren in strijd met een parkeerverbod (bord E1). De betrokkene voerde aan dat ten tijde van de gedraging geen rechtsgeldig verkeersbesluit bestond dat het parkeerverbod rechtvaardigde, omdat het besluit pas later in werking trad.
Het hof vernietigde de boetebeschikking en oordeelde dat het niet aan de weggebruiker is om te beoordelen of een verkeersteken terecht is geplaatst, tenzij de situatie onmiskenbaar afwijkt en de verkeersveiligheid in gevaar brengt. Het hof vond dat de sanctie niet billijk was omdat het verkeersbesluit nog niet in werking was getreden.
De procureur-generaal stelde cassatie in het belang der wet in tegen dit oordeel. De Hoge Raad overwoog dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden, ongeacht of deze met inachtneming van de wettelijke voorschriften zijn geplaatst. Het ontbreken van een geldig verkeersbesluit vormt geen omstandigheid die het opleggen van een sanctie uitsluit.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en stelde dat de sanctie wel opgelegd had mogen worden. Hiermee is verduidelijkt dat het ontbreken van een rechtsgeldig verkeersbesluit niet als grond kan dienen om een administratieve sanctie wegens overtreding van een verkeersteken te weigeren.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en stelt dat een boete voor overtreding van een verkeersteken zonder geldig verkeersbesluit wel kan worden opgelegd.