ECLI:NL:HR:2020:103

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 januari 2020
Publicatiedatum
22 januari 2020
Zaaknummer
19/04478
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht

Belanghebbenden, fiscale partners, hebben beroep in cassatie ingesteld tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2006 tot en met 2017. Zij deden een beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht, onderbouwd met gegevens waaronder een AOW-uitkering.

De Belastingdienst wees het beroep op betalingsonmacht af omdat niet aan de criteria was voldaan. De griffier van de Hoge Raad stelde belanghebbenden bij aangetekende brief in de gelegenheid het griffierecht binnen vier weken te voldoen. Deze brief werd afgeleverd, maar betaling bleef uit.

Vervolgens werd belanghebbenden gevraagd te verklaren waarom het griffierecht niet was betaald. Hun reactie bood geen grond om het verzuim te verwerpen. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbenden op te leggen. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools op 24 januari 2020.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/04478
Datum24 januari 2020
ARREST
in de zaak van
[X1] en [X2] te [Z] (hierna: belanghebbenden)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie betreffende de aan belanghebbenden voor de jaren 2006 tot en met 2017 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Naar aanleiding van de door belanghebbenden (fiscale partners) verstrekte gegevens, waaronder een door de Sociale verzekeringsbank in oktober 2018 aan één van de fiscale partners op grond van de AOW gedane periodieke uitkering, is het beroep op betalingsonmacht bij brief van 29 oktober 2019 afgewezen, omdat niet is voldaan aan de daarvoor geldende criteria. Tevens is in deze brief meegedeeld dat bij niet tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk kan worden verklaard.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbenden bij aangetekende brief van 13 november 2019 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbenden opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbenden bij brief van 12 december 2019 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbenden in hun bericht van 17 december 2019 aanvoeren, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbenden niet in verzuim zijn geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2020.