Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
18 juni 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond vast dat de verdachte als verzorgende van zijn kind niet had voldaan aan de inschrijfplicht zoals voorgeschreven in de Leerplichtwet 1969. Het kind was tussen april en augustus 2013 ingeschreven op een basisschool, waarna het gezin verhuisde naar Frankrijk. Bij terugkeer in oktober 2014 werd een schriftelijk beroep op vrijstelling gedaan, maar het kind werd sindsdien niet meer ingeschreven.
Het hof oordeelde dat volgens artikel 8, tweede lid, LPW een vrijstelling wegens bezwaren tegen de onderwijsrichting niet kan worden toegekend als het kind in het jaar voorafgaand aan de kennisgeving al op een school van die richting stond ingeschreven. Dit geldt ook als het verblijf in het buitenland viel binnen die periode. De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en wees op eerdere jurisprudentie die deze restrictieve interpretatie ondersteunt.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de verdachte en oordeelde dat de wet geen mogelijkheid biedt om na de eerste leerplichtige periode alsnog een vrijstelling te verkrijgen. Hoewel het hof zich bewust was van mogelijke onbedoelde consequenties van deze uitleg, is het niet aan de rechter om de wettelijke regeling te wijzigen.
Ten slotte constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn, maar zag geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden gezien de lichte sanctie. Het beroep werd derhalve verworpen en de uitspraak van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor het niet naleven van de inschrijfplicht met een voorwaardelijke geldboete.