ECLI:NL:HR:2019:878

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2019
Publicatiedatum
6 juni 2019
Zaaknummer
18/04656
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 lid 4 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie tegen uitspraak op verzet belastingzaak

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag waarin het hof het verzet van belanghebbende gegrond verklaarde. De Hoge Raad beoordeelt de ontvankelijkheid van dit cassatieberoep aan de hand van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Deze bepaling beperkt de kennisname van de Hoge Raad tot uitspraken van de bestuursrechter waarvoor cassatie openstaat.

In deze zaak is geen wettelijke grondslag voor cassatieberoep tegen een uitspraak op verzet, ook niet indien die uitspraak een beslissing bevat over de vergoeding van proceskosten. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar eerdere jurisprudentie (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:363).

Op grond hiervan verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Tevens ziet de Hoge Raad geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende toe te wijzen. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2019.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer18/04656
Datum7 juni 2019
ARREST
In de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 12 oktober 2018, nr. BK-18/00742, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof van 17 augustus 2018.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad enkel kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van het Hof als de onderhavige, waarbij het Hof een verzet gegrond heeft verklaard. Dat wordt niet anders indien een uitspraak op verzet tevens een beslissing bevat op een verzoek om vergoeding van de kosten die in verband met de behandeling van het verzet zijn gemaakt (vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:363, rechtsoverweging 2.2). Het beroep in cassatie dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2019.