Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
21 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot diefstal met braak, gepleegd in meerdere bedrijfspanden te Amstelveen.
De verdediging voerde verschillende bewijsklachten aan en stelde onder meer dat schade aan een stofzuiger, gebruikt bij schoonmaakwerkzaamheden, niet als rechtstreekse gevolgschade van de inbraak kon worden aangemerkt. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 21 mei 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof bevestigd.