Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
23 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een bestuurder van een failliete rechtspersoon die werd vervolgd wegens het niet voldoen aan de verplichtingen omtrent het voeren van een administratie en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, zoals voorgeschreven in art. 2:10 lid 1 BW Pro en art. 343 Sr Pro (oud).
De verdachte stelde in cassatie een middel voor, maar de Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest van het Gerechtshof Den Haag werd daarmee bevestigd. De Hoge Raad wees het beroep af en handhaafde de veroordeling van de verdachte voor het niet voldoen aan de administratieplicht in het kader van faillissement.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het naleven van administratieve verplichtingen door bestuurders van failliete rechtspersonen en bevestigt de strafrechtelijke gevolgen bij niet-naleving.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de bestuurder wordt verworpen en de veroordeling wegens niet voldoen aan de administratieplicht blijft in stand.