De zaak betreft een geschil tussen Aruba Bank en het Land Aruba over de verjaring van een aanslag winstbelasting over 2003. Aruba Bank vorderde een verklaring voor recht dat de aanslag is verjaard. De rechtbank wees deze vordering toe, maar het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat uitstel van betaling de verjaring had gestuit.
De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis omdat het hof ten onrechte aan het verlenen van uitstel van betaling stuitende werking toekende, terwijl art. 13 (oud) Landsverordening Invordering Directe Belastingen dit niet vermeldt en een limitatieve opsomming geeft van stuitingsgronden. De Hoge Raad verwijst naar het arrest van 7 juni 1935, maar oordeelt dat dit niet van toepassing is op de situatie van uitstel van betaling.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de Ontvanger niet exclusief bevoegd is om in rechte op te treden, omdat de Arubaanse wetgeving niet voorziet in een dergelijke exclusiviteit. Ook wordt bevestigd dat betekening van een dwangschrift nog geen tenuitvoerlegging is, waardoor verzet tegen de aanslag ook in een gewone civiele procedure kan worden ingesteld.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis van het hof en wijst de zaak terug voor verdere behandeling. Het incidentele beroep van het Land wordt verworpen. De kosten van het geding worden aan het Land opgelegd.