ECLI:NL:HR:2019:32

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2019
Publicatiedatum
10 januari 2019
Zaaknummer
18/00721
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36c lid 1 Wet LB 1964Art. 14 EVRMArt. 26 IVBPRArt. 1 Eerste Protocol bij het EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling overgangsrecht privégebruik auto en schending eigendomsrecht

Belanghebbende stelde in cassatie beroep in tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant betreffende ingehouden loonheffingen over de eerste drie maanden van 2017. De kern van het geschil betrof de toepassing van overgangsrecht voor privégebruik van auto’s met een datum van eerste toelating vóór 1 januari 2017.

De Hoge Raad heeft de middelen van belanghebbende beoordeeld aan de hand van een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2019:1) en concludeerde dat de keuze van de wetgever om overgangsrecht in te voeren niet evident van redelijke grond is ontbloot. Dit betekent dat het overgangsrecht een gerechtvaardigde maatregel is en geen schending vormt van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, dat het eigendomsrecht beschermt.

De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Hiermee bevestigde de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank, waarmee de ingehouden loonheffingen rechtmatig werden geacht.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van het overgangsrecht voor privégebruik van auto’s.

Uitspraak

11 januari 2019
Nr. 18/00721
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 10 januari 2018, nrs. BRE 17/4811, 17/4812 en 17/4814, betreffende de van belanghebbende ingehouden bedragen aan loonheffingen over de tijdvakken januari 2017, februari 2017 en maart 2017. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 17/04934, ECLI:NL:HR:2019:1, uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2019.