Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring, bewijsvoering en beslissing op een gevoerd verweer
3.Wettelijk kader en wetsgeschiedenis
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beoordeling van het eerste middel
6.Beslissing
5 maart 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die tussen augustus en september 2016 via e-mail en afspraken met een politie-informant handgranaten probeerde te kopen. De verdachte werd aangehouden op het moment dat hij verscheen voor de overdracht van de wapens, waarbij het misdrijf niet was voltooid.
De verdediging voerde onder meer aan dat sprake was van een onrechtmatige opsporingsmethode, namelijk een pseudo-koop zonder het vereiste bevel op grond van artikel 126i Wetboek van Strafvordering. Tevens werd betoogd dat de gebruikte opsporingsmethode geen wettelijke grondslag had en dat bewijs onrechtmatig was verkregen.
Het hof oordeelde dat geen sprake was van pseudo-koop zoals bedoeld in artikel 126i Sv, omdat de politie nooit de intentie had om daadwerkelijk handgranaten te verkopen. Het mailcontact viel onder artikel 3 Politiewet Pro 2012, wat voldoende wettelijke basis bood. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af.
Het arrest benadrukt dat niet in de wet geregelde opsporingsmethoden alleen zijn toegestaan indien zij geen disproportionele inbreuk maken op grondrechten en niet risicovol zijn voor de integriteit van de opsporing. De opsporingsmethode in deze zaak voldeed hieraan, waardoor het bewijs niet onrechtmatig is verkregen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling wegens poging tot aankoop van handgranaten.