Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag, waarin de verdachte was veroordeeld voor eenvoudige belediging van een ambtenaar tijdens diens rechtmatige bediening. De politierechter had de verdachte veroordeeld tot twaalf dagen gevangenisstraf, waarbij de strafmotivering verwees naar de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en persoonlijke omstandigheden.
Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter en verwierp het verweer van de raadsvrouw dat de voorwaardelijke straf reeds was uitgezeten. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof in strijd met artikel 359, zesde lid, Sv heeft nagelaten de specifieke redenen te geven die hebben geleid tot de keuze voor een vrijheidsbenemende straf. Deze motiveringsplicht is essentieel voor de rechtsbescherming van de verdachte.
Door dit verzuim is het arrest nietig op grond van artikel 359, achtste lid, Sv. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en beslissing over de straf. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
De uitspraak onderstreept het belang van een volledige en specifieke strafmotivering in hoger beroep, zeker wanneer een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende strafmotivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting van de strafoplegging.