Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
3 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2.A van de Opiumwet door de invoer van ruim 29 kilogram ayahuasca-thee bestemd voor kerkdienstgebruik.
Verdachte voerde in cassatie aan dat zijn handelen gerechtvaardigd was op grond van het recht op vrijheid van godsdienst zoals beschermd door artikel 9 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2019:1456) en overweegt dat het beroep op godsdienstvrijheid in deze context niet tot cassatie kan leiden.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging van het arrest kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat de rechtsvragen niet in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen.
Het beroep wordt derhalve verworpen en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor het opzettelijk invoeren van ayahuasca-thee blijft in stand.