ECLI:NL:HR:2019:1771

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2019
Publicatiedatum
13 november 2019
Zaaknummer
19/03273
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is echter niet voldaan.

Na een herinnering en verzoek tot opgave van redenen voor niet-betaling, gaf belanghebbende aan niet in staat te zijn het griffierecht te voldoen. Dit werd opgevat als een beroep op betalingsonmacht, maar belanghebbende heeft niet tijdig voldaan aan de criteria voor betalingsonmacht zoals vastgesteld in eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende in verzuim is geweest en verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest is uitgesproken op 15 november 2019 door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/03273
Datum15 november 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 25 april 2019, nrs. SGR 18/2261 V, SGR 18/2262 V, SGR 18/2263 V en SGR 18/2265 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 25 februari 2019.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 17 augustus 2019, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 17 september 2019, in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. In reactie hierop geeft belanghebbende aan niet in staat te zijn het griffierecht te voldoen. Voor zover die reactie moet worden opgevat als een beroep op betalingsonmacht, heeft belanghebbende niet voor het einde van de gestelde betalingstermijn aan de griffier kenbaar gemaakt dat hij voldoet aan het criterium voor betalingsonmacht zoals weergegeven in onderdeel 2.3.3 van het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2015, nr. 14/05176, ECLI:NL:HR:2015:354.
Hetgeen belanghebbende in de reactie van 9 oktober 2019 voor het overige aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2019.