Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van het uitgeven en in voorraad hebben van valse bankbiljetten, strafbaar gesteld in artikel 209 Sr Pro. Het hof sprak de verdachte vrij op basis van bewijsuitsluiting wegens een vormverzuim: het niet tijdig en naar behoren informeren van de verdachte over de inzet van een informant.
Het Openbaar Ministerie stelde cassatieberoep in tegen deze vrijspraak en voerde aan dat het hof zijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet duidelijk had gemaakt waarom het herstelde verzuim, dat reeds vóór de inhoudelijke behandeling van de strafzaak was hersteld, toch het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling had geschaad.
Daarnaast vond de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat het bewijsmateriaal door het verzuim was verkregen onvoldoende was gemotiveerd. Op basis van eerdere arresten (ECLI:NL:HR:2016:2777, 2778, 2779) werd het cassatiemiddel terecht voorgesteld.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe berechting en beslissing op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde berechting.