Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant waarin een klaagschrift van de klager ongegrond werd verklaard. Het klaagschrift richtte zich tegen beslaglegging op een geldbedrag en elektronische gegevensdragers, gelegd op grond van art. 94 Sv Pro in het kader van strafbare feiten gepleegd in België.
De rechtbank oordeelde dat het belang van de strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag op het geldbedrag, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter in België een verbeurdverklaring of een daarmee gelijk te stellen straf of maatregel zal opleggen. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd, waarbij werd benadrukt dat het belang van strafvordering niet beperkt is tot het Nederlandse strafvorderlijke belang.
Ten aanzien van het beslag op elektronische gegevensdragers verwees de Hoge Raad naar een samenhangende zaak waarin het cassatieberoep van dezelfde klager reeds was verworpen, waardoor verdere bespreking achterwege bleef.
De Hoge Raad concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep en handhaafde daarmee de beslissing van de rechtbank. De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op het geldbedrag en de elektronische gegevensdragers blijft gehandhaafd.