ECLI:NL:HR:2019:1694

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2019
Publicatiedatum
1 november 2019
Zaaknummer
18/00075
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep cassatie tegen beslaglegging op geld en gegevensdragers in strafzaak België

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant waarin een klaagschrift van de klager ongegrond werd verklaard. Het klaagschrift richtte zich tegen beslaglegging op een geldbedrag en elektronische gegevensdragers, gelegd op grond van art. 94 Sv Pro in het kader van strafbare feiten gepleegd in België.

De rechtbank oordeelde dat het belang van de strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag op het geldbedrag, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter in België een verbeurdverklaring of een daarmee gelijk te stellen straf of maatregel zal opleggen. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd, waarbij werd benadrukt dat het belang van strafvordering niet beperkt is tot het Nederlandse strafvorderlijke belang.

Ten aanzien van het beslag op elektronische gegevensdragers verwees de Hoge Raad naar een samenhangende zaak waarin het cassatieberoep van dezelfde klager reeds was verworpen, waardoor verdere bespreking achterwege bleef.

De Hoge Raad concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep en handhaafde daarmee de beslissing van de rechtbank. De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op het geldbedrag en de elektronische gegevensdragers blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/00075 B
Datum5 november 2019
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 2 januari 2018, nummer RK 17/2497, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend
door
[klager 1],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de klager.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

2.1
Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift.
2.2
De klager heeft verzocht om opheffing van het gelegde beslag op onder meer een geldbedrag en om teruggave daarvan aan de klager. De Rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard. De bestreden beschikking houdt onder meer in:
“De rechtbank is van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag op (...) het inbeslaggenomen geldbedrag. Klager wordt verdacht van betrokkenheid bij de in de rechtshulpverzoeken genoemde gepleegde strafbare feiten in België. Klager zou hebben deelgenomen aan een criminele organisatie en betrokken zijn bij invoer, uitvoer, handel en bezit van verdovende middelen. Gelet op deze verdenking acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat betreffende het inbeslaggenomen geldbedrag te zijner tijd een verbeurdverklaring dan wel een daarmee gelijk te stellen straf of maatregel door de strafrechter in België opgelegd zal worden. Dat de Belgische autoriteiten een verbeurdverklaring van het geldbedrag of een daarmee gelijk te stellen straf of maatregel niet nadrukkelijk in de rechtshulpverzoeken hebben genoemd doet hier niets aan af.”
2.3
Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een op de voet van art. 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is onder meer het geval indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
2.4
De Rechtbank heeft haar oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag op het geldbedrag erop gegrond dat het gelet op de omstandigheden waaronder dat geldbedrag is aangetroffen, en op de verdenking ter zake van in België gepleegde strafbare feiten niet hoogst onwaarschijnlijk is dat met betrekking tot dit geldbedrag te zijner tijd een verbeurdverklaring dan wel een daarmee gelijk te stellen straf of maatregel door de strafrechter in België zal worden opgelegd. Dat oordeel getuigt, mede in aanmerking genomen dat het belang van strafvordering niet is beperkt tot het Nederlandse strafvorderlijke belang (vgl. HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:385), niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarom faalt het middel voor zover dat zich keert tegen de beslissing van de Rechtbank tot ongegrondverklaring van het klaagschrift ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag.
2.5
Voor zover het middel klaagt over de beslissing van de Rechtbank tot ongegrondverklaring van het klaagschrift ten aanzien van de inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers, behoeft het, gelet op de beslissing van de Hoge Raad van heden in de samenhangende zaak met nummer 18/00225 B (ECLI:NL:HR:2019:1693), waarin het cassatieberoep van [klager 1] in die zaak is verworpen, geen bespreking.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 november 2019.