Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:1687

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2019
Publicatiedatum
31 oktober 2019
Zaaknummer
18/03677
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.34 Wet IB 2001Art. 3.45 lid 1 letter d Wet IB 2001Art. 7 Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling willekeurige afschrijving voor startende ondernemers bij appartementen als woonhuizen in Bed & Breakfast

Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteerden in 2012 en 2013 drie appartementen als Bed & Breakfast in de vorm van een commanditaire vennootschap. Elk appartement bestond uit woon- en eetkamer, keuken, slaapkamer en badkamer. De vraag was of deze appartementen in aanmerking kwamen voor de willekeurige afschrijving voor startende ondernemers volgens artikel 3.34 Wet IB 2001.

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde dat de appartementen als woonhuizen moesten worden aangemerkt op grond van artikel 3.45, lid 1, letter d, Wet IB 2001, waardoor de willekeurige afschrijving niet van toepassing was. Het Hof stelde vast dat de aard en inrichting van de appartementen wezen op woningen en dat de tijdelijke bewoning als Bed & Breakfast de bestemming als woonhuis niet wijzigde.

Belanghebbende stelde in cassatie dat deze beoordeling onjuist was, maar de Hoge Raad verwierp dit verweer. De Hoge Raad bevestigde dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de appartementen woonhuizen zijn en dat de feitelijke waarderingen van het Hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn.

De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de appartementen worden als woonhuizen aangemerkt waardoor willekeurige afschrijving niet van toepassing is.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer18/03677
Datum8 november 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 juli 2018, nrs. 16/03775 en 16/03776, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 15/6603 en 15/6604,) betreffende de ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2012 en 2013 gegeven beschikkingen als bedoeld in artikel 3.151, lid 1, Wet IB 2001. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van het middel

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteerden in de onderhavige jaren (2012 en 2013) in de vorm van een commanditaire vennootschap onder meer drie appartementen als Bed & Breakfast (hierna: B&B). Elk appartement bestaat uit een woon- en eetkamer, een separate keuken, een slaapkamer en een badkamer.
2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de appartementen niet de willekeurige afschrijving voor startende ondernemers van artikel 3:34 Wet Pro IB 2001, in samenhang gelezen met artikel 7 van Pro de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001, mag toepassen omdat sprake is van een van aftrek uitgesloten investering in woonhuizen als bedoeld in artikel 3.45, lid 1, letter d, Wet IB 2001 (tekst 2012 en 2013). Volgens het Hof zijn de appartementen, ook binnen het kader van het B&B-bedrijf van belanghebbende, naar hun aard en inrichting woningen en zijn zij ook bestemd om als woning te worden gebruikt. Het Hof heeft geoordeeld dat de tijdelijkheid van de bewoning en de omstandigheid dat de appartementen voor andere doeleinden niet worden aangemerkt als woning, niet maakt dat die bestemming is gewijzigd en dat de appartementen daardoor hun hoedanigheid van woonhuis niet verliezen.
2.3
Het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof.
2.4
Bij de beantwoording van de vraag of de appartementen zijn te beschouwen als woonhuizen in de zin van artikel 3:45, lid 1, letter d, Wet IB 2001 heeft het Hof terecht vooropgesteld dat bepalend is of de appartementen opstallen zijn die naar aard en inrichting woningen zijn, en zijn bestemd om als zodanig te worden gebruikt [1] . De hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof zijn voor het overige verweven met waarderingen van feitelijke aard en zijn niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt daarom.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2019.

Voetnoten

1.Vgl. HR 8 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8282.