Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
De betrokkene werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. In cassatie werd het beroep van de betrokkene behandeld waarbij de Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend met betrekking tot de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, met vermindering van het bedrag naar de gebruikelijke maatstaf.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, maar stelde ambtshalve vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan werd de betalingsverplichting verminderd van €450.640,- naar €445.640,-. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het belang van het waarborgen van de redelijke termijn in strafprocedures en paste zij dit toe in het kader van ontnemingsvorderingen.
Uitkomst: De betalingsverplichting tot ontneming werd verminderd tot €445.640,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.