ECLI:NL:HR:2019:155

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2019
Publicatiedatum
31 januari 2019
Zaaknummer
18/03582
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Belanghebbende, woonachtig in Zwitserland, had tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld betreffende een erfbelastingaanslag over 2014. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep. De griffier had belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld.

Het griffierecht werd echter niet binnen deze termijn betaald. Na een nadere schriftelijke toelichting van belanghebbende achtte de Hoge Raad deze niet voldoende om het verzuim te rechtvaardigen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht werd het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad oordeelde verder dat er geen aanleiding was om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het reeds betaalde griffierecht van €126 werd aan belanghebbende teruggegeven. Het arrest werd op 1 februari 2019 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

1 februari 2019
Nr. 18/03582
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z], Zwitserland (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 6 juli 2018, nr. 17/00403, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de erfbelasting.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 21 september 2018, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door de gemachtigde van belanghebbende opgegeven adres, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 23 oktober 2018 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in haar brief van 19 november 2018 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2019.
Het door belanghebbende als griffierecht betaalde bedrag van € 126 wordt door de griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende teruggegeven.