Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
24 september 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor mishandeling van zijn levensgezel. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor wat betreft de strafoplegging en motivering, en deed in zoverre opnieuw recht door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand op te leggen.
Daarnaast bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank voor het overige, waaronder de gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een duur van vier maanden. De rechtbank had deze herroeping gemotiveerd vanwege het plegen van een nieuw strafbaar feit binnen de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
De verdachte klaagde in cassatie dat het hof niet duidelijk had beslist op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De Hoge Raad oordeelde dat het hof deze vordering wel degelijk had betrokken en gemotiveerd, mede door de bevestiging van de overwegingen van de rechtbank, en dat het middel daarom faalt.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de straf en de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ongewijzigd blijven.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en de gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.