Belanghebbende werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting over de jaren 1990 tot en met 2000, gebaseerd op gegevens van rekeningen bij Kredietbank Luxemburg die niet waren opgegeven in de aangiften.
De Inspecteur stelde vast dat belanghebbende gerechtigd was tot deze rekeningen, wat belanghebbende betwistte met het argument dat derden de rekeningen hadden geopend met gestolen paspoorten. Het Hof nam het bewijsvermoeden van de Inspecteur over en oordeelde dat belanghebbende dit vermoeden niet had ontzenuwd.
In cassatie klaagde belanghebbende over vermeende rechterlijke onpartijdigheid, omdat een raadsheer die betrokken was bij een eerdere dwangsomprocedure ook deel uitmaakte van de meervoudige kamer die het hoger beroep behandelde. De Hoge Raad stelde dat deze klacht niet tijdig was ingediend en dat belanghebbende reeds eerder van deze feiten op de hoogte had kunnen zijn.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.