ECLI:NL:HR:2019:1254

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juli 2019
Publicatiedatum
18 juli 2019
Zaaknummer
18/03649
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Belastingverdrag Nederland-België 19 oktober 1970Belastingverdrag Nederland-België 5 juni 2001
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1996

Belanghebbende, woonachtig in België, maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1996. Na eerdere procedures werd de zaak door de Hoge Raad verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Het Hof handhaafde de aanslag, waarna belanghebbende opnieuw in cassatie ging.

De Hoge Raad beoordeelde de ingediende middelen en verwierp deze op dezelfde gronden als in een gelijktijdig arrest met betrekking tot het Belastingverdrag Nederland-België van 1970 en 2001. De Hoge Raad vond geen aanleiding om het oordeel van het Hof te vernietigen.

De Hoge Raad zag geen reden om proceskosten aan belanghebbende toe te kennen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de navorderingsaanslag over 1996 ongewijzigd van kracht.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag over 1996 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer18/03649
Datum19 juli 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], België, (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 12 juli 2018, nr. 17/00411, betreffende een aan belanghebbende over het jaar 1996 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:671, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (nr. BK-11/00057), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Namens belanghebbende is de zaak toegelicht door I. de Roos, advocaat te Amsterdam.

3.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag tussen dezelfde partijen heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/03647. Hetgeen in dat arrest is overwogen met betrekking tot het Belastingverdrag Nederland – België van 5 juni 2001 geldt evenzeer met betrekking tot het voor het onderhavige jaar van toepassing zijnde Belastingverdrag Nederland-België van 19 oktober 1970.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2019.