Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
- verklaart het principaal hoger beroep gegrond;
- verklaart het incidenteel ingesteld hoger beroep ongegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens voor zover betrekking hebbend op de proceskostenvergoeding en het griffierecht;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een naar belastbaar inkomen van € 790.409 en vermindert de geheven premies volksverzekeringen tot nihil;
- stelt de Inspecteur en de Staat (de minister van Veiligheid en Justitie) in de gelegenheid zich binnen vier weken na verzending van de kopie van deze uitspraak uit te laten omtrent het verzoek van belanghebbende over de hiervoor bedoelde schadevergoeding.”
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het door belanghebbende gedane verzoek om schadevergoeding;
- wijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 123, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3342 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.”
2.Feiten
Ik ben van huis uit financieel, juridisch en fiscaal specialist, met name op het gebied van het structureren, van koop en verkoop van ondernemingen. Ik heb mij op dit gebied aanvankelijk in dienst van Kluwer bewogen, sinds tien jaar als zelfstandige voor en met particuliere ondernemers”
om nietover aan [Stichting B] . Bestuurders van [Stichting B] : [persoon 1] en [belanghebbende].
bijlage D-32)
Wie de juridisch eigenaar van [A NV] is, kan ik zeggen dat dit de oprichter is van [A NV] , namelijk [E] NV. De economische eigenaar van [A NV] zullen [persoon 1] en [belanghebbende] wel zijn, maar zeker weten doe ik dit niet. Ik weet namelijk dat [G BV-project] van [persoon 1] en [belanghebbende] is. Ik heb begrepen van [belanghebbende] dat hij samen met [persoon 1] de trekkers van het project is. Het is dan gebruikelijk dat [persoon 1] en [belanghebbende] de winstgerechtigden zijn van dit project, het zijn namelijk geen hobbyisten er wordt namelijk heel veel geld mee verdiend. (…)
27 juni 1996wordt een overeenkomst gesloten tussen [C NV] , [A NV] , [Stichting B] en [B NV] waarbij:
28 juni 1996verleent [persoon 1] een volmacht aan iedere medewerker van notariskantoor [naam notariskantoor] om de vordering van [A NV] , groot f 8 mio, te cederen aan [B NV] . (…)
3.Uitspraken rechtbank en gerechtshof Den Haag
Over de [G BV-transactie] :
5.Geschil na verwijzing
6.Beoordeling van het geschil
Dit besluit geeft nader inzicht in mijn standpunten met betrekking tot de winstallocatie aan vaste inrichtingen. De publicatie van het OESO-rapport ‘Report on the Attribution of Profits to Permanent Establishments’, de aanpassing van het commentaar bij artikel 7 van Pro het OESO Modelverdrag in 2008 en de vaststelling van het nieuwe artikel 7 OESO Pro Modelverdrag (inclusief commentaar) in juli 2010 zijn de aanleiding voor dit besluit. Doel van het besluit is om zoveel mogelijk duidelijkheid te geven over de wijze waarop de Nederlandse belastingdienst tegen de winstallocatie van vaste inrichtingen aankijkt.
Hof:hierna ook PE Report 2008) gepubliceerd, dat in 2010 [
Hof:met het ‘Report on the Attribution of Profits to Permanent Establishments’ van 22 juli 2010; hierna ook: PE Report 2010] is aangepast. In dit rapport wordt beschreven hoe winsten aan vaste inrichtingen toegerekend dienen te worden. (…) Hoewel in het in 2008 geldende artikel 7 OMV Pro de verwijzing naar de ‘functionally separate entity approach’ als zodanig in lid 2 is opgenomen, bleek vanuit ervaringen in de praktijk nadere uitleg noodzakelijk. Daarnaast zijn nieuwe inzichten inzake winstallocatie aan vaste inrichtingen in het rapport verwerkt. Uitgangspunt bij de winstallocatie in het PE-Report is de Authorised OECD Approach (AOA). Deze komt er kort gezegd op neer dat activa en risico′s worden gealloceerd aan de vaste inrichting op basis van de functie-analyse. (…) Het Nederlandse beleid is er in het verleden al op gericht geweest het arm’s-lengthbeginsel van toepassing te laten zijn bij de winstbepaling van vaste inrichtingen. Het land waar de vaste inrichting is gelegen mag de voordelen belasten voor zover deze aan de vaste inrichting kunnen worden toegerekend. De winst wordt toegerekend aan de vaste inrichting afhankelijk van de verrichte functies, de gebruikte activa en de gelopen risico’s. Daarbij dient te worden gehandeld alsof de vaste inrichting een afzonderlijke ongelieerde onderneming is. Dit wordt ook wel de ‘functionally separate entity approach’ genoemd. (…) Het Nederlandse beleid sluit aan bij de conclusies van het PE-Report. Ik onderschrijf de conclusies van het PE-Report en ik vind het een juiste invulling van de beginselen die ook aan het vóór juli 2010 geldende artikel 7 OMV Pro ten grondslag hebben gelegen.
’de door belanghebbende genoten winst uit de [G BV-transactie] moet worden toegerekend aan de vaste inrichting. In de verwijzingsprocedure dient daarom te worden vastgesteld hoe groot in concreto het deel van de door belanghebbende genoten winst is dat aan de door zijn vaste vertegenwoordiger gevormde vaste inrichting kan worden toegerekend; het verwijzingsarrest biedt volgens de inspecteur, gelet ook op de in het verwijzingsarrest gehanteerde terminologie (het ‘in hoeverre’, geen ruimte voor de door belanghebbende verdedigde conclusie dat in het geheel geen winst aan de vaste inrichting kan worden toegerekend).
7.Proceskosten
8.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissingen inzake de proceskostenvergoeding en het griffierecht;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar belastbaar inkomen van € 395.204 en vermindert de geheven premies volksverzekeringen tot nihil; en
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 3.757,50.